Integratie van een Mzungu
Ryszard Kapuscinski schreef het al in 1960: ‘Vroeger maakten boeken over Afrika me kwaad: er stond zoveel in over blank en zwart. Kleur zus, kleur zo, in alle varianten. Tot ik er uiteindelijk zelf heenreisde. En toen begreep ik het. Je wordt direct ingedeeld, apart gezet. Die huid jeukt direct. Of hij stoot af, of hij verhoogt. Een mens kan er niet uit springen, maar het belet hem wel te leven. Die huid kun je nooit gewoon hébben. Altijd zul je hoger staan, of lager, of er buiten. Maar nooit op je eigen plaats.
Niet voor niets is Kapuscinski de held van veel Afrikajournalisten die ik spreek. Hij wist op papier te zetten wat iedere mzungu hier ervaart. Soms ben je als blanke in het voordeel, soms voel je je er eenzaam door, soms maakt het je doelwit.
Laat ik eens positief beginnen: vorige week op een trainingsveld in Dar es Salaam. Collega Arne schreef een stuk over het nieuwe voetbalstadion dat in de stad gebouwd is (het grootste van Oost-Afrika) en dus liepen we binnen bij de Tanzaniaanse voetbalbond. Toevallig was de Braziliaanse bondscoach van de Taifa Stars net twee dagen eerder teruggekeerd van een bezoekje aan zijn geboorteland… Hij was in Dar om het nationale team voor te bereiden op de oefenmatch tegen Ghana woensdag (gisteren dus, uitslag 1-1). En ja, het Nationale Team arriveerde die dag ook. En wat betekent dat voor een mzungu? Juist, een rondleiding van de coach die ook Ronaldo heeft getraind en daarna lekker in het zonnetje op het veld zitten terwijl de Stars hun eerste training hebben. Tot slot afscheid van de bondscoach met twee dikke zoenen.
Maar mzungu zijn betekent ook: elke keer weer als wandelend spaarvarken gezien worden… Dinsdag: aankomst bij FUFA - de Oegandese voetbalbond. Daar liep ook een coach van een Universiteitsteam rond die me binnen 5 minuten na kennismaking een begroting voorlegde en me vertelde hoeveel ik moest betalen voor de shirt’s, ballen en veldhuur van zijn team. En hij voelde zich verdomd beledigd toen ik hem vertelde dat niet iedere mzungu een hele voetbalclub kan kopen. Schrijver Moses Isegawa vertelde me op het terras: zoveel Afrikanen praten tegen een waanbeeld als ze een blanke zien. Ze zien dan geen persoon maar alles wat ze zouden willen hebben.
Dat terras waar ik met Isegawa zat was het terras van Café Pap. Ter verduidelijking: Café Pap is het meest Westerse café van Kampala waar je wireless kunt internetten en echte koffie kunt drinken. Aangezien er de week ervoor 350 dollar was gestolen uit de guestquarters waar ik logeer kreeg ik het advies om mijn waardevolle spullen vooral bij me te houden. Dus met paspoort, net gepind geld, euro’s-voor-noodgevallen, camera, boek-vol-aantekeningen en telefoon in mijn tas plofte ik naast Isegawa op het terras. We zaten aan de rand, naast een enorm bloemperk en met maar een tafeltje in de buurt. Daaraan zat een rijk Oegandees stel. Man in pak. vrouw in een donkere jurk met roodgeverfde lippen. Na een kwartier kletsen met Moses overhandigde ik hem zijn tube paradontaxtandpasta, zette mijn tas onder mijn stoel tussen mijn benen en drie minuten laten was-ie weg. Er tussenuit gehengeld met een stok (of been?) door het zo welvarend-ogende koppel.
Politiebureau dus. In tegenstelling van het beeld dat ik van Afrika had geen uren wachten: ‘U heeft geluk mevrouw, vandaag is het zondag, dan vangen we geen boeven dus is het rustig op kantoor.’ Bij nader inzien toch een tikje Afrikaans.:-) Hele papierwinkel afgehandeld (en ondanks herhaaldelijk opschrijven van mijn naam belandde die toch verkeerd op het schadeformulier en werd mijn telefoonnummer mijn paspoortnummer…)
En dan merk je het weer: je bent die blanke. De politieagenten nemen een wat kruiperige houding aan waarbij ze zich eindeloos verontschuldigen voor hun landgenoten. Isegawa voelde zich vernederd dat zijn gast zoiets overkwam en wilde alles te werk stellen om de daders in handen te krijgen dus belde hij zeker acht keer met zijn advocaat. Meneer hoofdagent beloofde me ook dat deze personen zeker op twee jaar extra celstraf konden rekenen omdat hun slachtoffer een mzungu was. En ik zou, zelfs als student, genoeg flapjes kunnen toeschuiven om daar nog wat jaren aan toe te voegen.
Ik ben opgevoed met Nederlandse normen en waarden. Omkopen doe je niet. En ach, ik ben alleen mijn spullen kwijt. Tuurlijk is het kut maar van mij hoeft het stel echt niet tien jaar weg te rotten in een Oegandese cel. Maar omdat ik bij toeval aan het enige tafeltje van het terras zat zonder camerabewaking en de kans groot is dat de dieven ermee wegkomen houd ik mijn mond. In Afrika gaat het op de Afrikaanse manier en ze zouden mijn morele geleuter toch niet begrijpen. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet dénk dat de woede van de Oegandezen om me heen overtrokken is.
Als de bodabestuurder die me naar huis rijdt me onderweg vertelt dat ik vast niet bestolen was als ik ‘born-again’ zou zijn, hum ik braaf. En als hij uitwijdt over zijn sympathie voor Museveni die de strijd tegen homo’s aanscherpt, trek ik niet eens fel tegen hem van leer.
’s Avonds tijdens een etentje met Nederlanders komt het gesprek op de integratie van de allochtonen in Nederland. ‘Ze behouden hun eigen eetcultuur, klonteren samen en behouden stiekem hun radicale ideeën.’
Kapuscinski blijft mijn held. Maar met mijn bord risotto voor mijn neus realiseer ik me voor het eerst dat de allochtonen in Nederland het gevoel ook zouden herkennen. En dat het gek is hoe weinig begrip de blanken hier daarvoor hebben, zelfs al zitten ze in hetzelfde schuitje.