Ziekenhuis (Yes)
Ghanezen zijn dol op geneesmiddelen. Vooral pillen. Chief Nana uit mijn onderzoeksdorp Toamfom gebruikt paddenstoelen, gember en vreemde blaadjes om mengsel te maken die krimpende penissen genezen maar ook helpen bij hoofdpijn. Daarmee verdient hij zoveel geld dat hij zich een oude Mercedes kan veroorloven - een enorm bezit in Ghana.
Dat westerse medicijnen nóg geliefder zijn blijkt als een man met identiteitskaartje blauwe pilletjes komt verkopen in het busje dat naar mijn onderzoeksdorpje rijdt. Arnold en ik zijn de enige westerlingen in de wagen en dus wijst de dokter regelmatig naar ons terwijl hij in de lokale taal vertelt dat ‘die blanken altijd deze pillen slikken’. Hij blijkt anti-wormenpillen te verkopen voor 1 Cedi per tablet. Dat je een week na het eerste tablet een tweede tablet moet innemen, wil de pier in je darmen definitief het loodje leggen, dat vertelt de ‘dokter’ er niet bij.
Toch verwekken het kaartje om zijn nek van de meneer en de glimmende zilveren verpakking van de tabletjes zoveel vertrouwen bij onze medereizigers dat ze de pillenman allemaal een Cedi toestoppen. Arnold en ik kopen als enigen geen wormenkuur, maar dat wekt nauwelijks argwaan. Dat de meesten van deze Ghanezen vermoedelijk niet eens last hebben van een worm in hun darmstelsel doet er blijkbaar ook niet toe.
De Ghanezen mogen dan dol zijn op onze pillen, wij hebben minder vertrouwen in hun geneeswijzen. Zeker nadat onze overbuurvrouw geschept werd door een auto. Haar tanden lagen eruit. Dertien uur wachtte ze op een houten bankje in het staatsziekenhuis en daarna vertrok ze met een zak vol tabletten. Antibiotica terwijl ze geen ontsteking had. En een tweede soort waardoor ze drie dagen later opnieuw naar het ziekenhuis moest. Dit maal met en maagbloeding.
Maar vandaag is Arnold ziek. Zijn oor doet pijn en is dusdanig opgezwollen dat hij er niets meer mee hoort. Hij kan niet meer eten, want zijn ook kaak is dik. Wat is wijsheid? Een echte antropoloog hoort zich onder te dompelen in de lokale cultuur en de gewoontes die daarbij horen, dus even overweg ik hem op een houten ziekenhuisbankje neer te planten tot hij ook een houten bips heeft. Maar ik heb toegezegd om mee te gaan. En ik ben géén antropoloog, maar journalist met een deadline dus belanden we bij Palmer’s kliniek in een buitenwijk van Kumasi. Hét hospitaaltje voor blanken en rijke Ghanezen.
Bij het intakegesprek steekt de zuster meteen een ouderwetse thermometer onder Arnolds oksel. Dat hoort bij haar inschrijfritueel - het doet er niet toe of je denkt dat je malaria hebt of een gebroken teen. Twintig minuten later mag Arnold door naar doktor Obeng. Met zijn stethoscoop beluistert hij Arnolds hartslag. In orde. Dan pakt hij een reusachtige roze zaklamp en schijnt ermee in Arnolds oor. Hij bromt iets en krabbelt de namen van vier soorten pillen op een papiertje.
“Wat heb ik?” vraagt Arnold. Het blijkt een fikse oorontsteking. Dokter O wil dat hij dagelijks twee gele pillen neemt, een week lang. En ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds twee blauwe. Allebei antibiotica. De andere pillen zorgen dat hij zich ‘lekkerder voelt’. De intake-zuster stopt ze in een plastic zakje en geeft met streepjes aan hoeveel Arnold er moet nemen - voor het geval er ook iets mis is met zijn hersenen. Of misschien omdat ze zelf de gebruiksaanwijzing houdt. Na drie dagen - en met de helft van de pillen nog in de zakjes - is Arnold weer de oude. We bezoeken een dorpsziekenhuisje voor mijn onderzoek. Héél interessant als je zelf gezond bent.