Het laboratorium van dr. Sachs (NRC Weekblad)
Veertien Afrikaanse dorpen moeten demonstreren dat halvering van armoede en honger alleen een kwestie is van geld. In Ghana maken de bewoners zich zorgen. Wat als het project straks stopt?
Tekst en beeld: Sanne Terlingen

“Ik wil dat je mijn verhaal opschrijft.” Osofo (48) houdt zich schuil voor de zon in een blauwgebloemde jaren zeventig-stoel onder het golfplaten afdak van zijn huis. Op het matje aan zijn voeten snurkt een neef.
Drie jaar geleden brachten medewerkers van het Millennium Villages Project duizend zakken cement en 35 pakketten dakbedekking naar Bonsaaso. Vergeleken met andere dorpjes in dit deel van Ghana, zoals Pakyi No. 1 of Manso Mim, ziet Bonsaaso eruit als een modeldorp. Hetzelfde geldt voor Osofo’s woonplaats, het twee kilometer verder gelegen Tontokrom.
De scheuren in de muren van Osofo’s woning zijn aangesmeerd. Rechts van de voordeur kraste hij zijn mobiele nummer in het cement. Achter de woning van buurman Simon staat sinds drie maanden een felgroen huisje. Het Project droeg 90 dollar bij waardoor hij een eigen wc kon bouwen. De sleutel hangt aan een spijker naast de voordeur zodat de buren niet stiekem op zijn nieuwe pot pissen. Osofo pakte het slimmer aan: hij groef een gat in een hoekje van zijn huis en timmerde daar twee klapdeurtjes voor.
In het jaar 2000 besloten alle lidstaten van de Verenigde Naties dat de ontwikkeling van de armste landen moest worden versneld. Ze omarmden acht ‘millenniumdoelen’ die ze voor 2015 willen bereiken. De beroemde Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs bombardeerden ze tot speciaal adviseur in hun strijd tegen armoede, honger en ziektes. Sachs wil aantonen dat de doelstellingen haalbaar zijn als het westen maar genoeg geld geeft. Daarom verzon hij het Millennium Villages Project. Bij de uitvoering krijgt hij steun van UNDP, de ontwikkelingsorganisatie van de VN.
In tien landen op het armste continent van de wereld koos hij twaalf dorpen uit. Daar wil hij de millenniumdoelen binnen vijf jaar tijd verwezenlijken voor het luttele bedrag van 110 dollar per dorpeling per jaar. Hulporganisaties en filantropen nemen daarvan 20 dollar voor hun rekening. De regering van het betrokken Afrikaanse land schenkt 30 dollar, over het algemeen betaald van westerse ontwikkelingshulp. De dorpelingen dragen zelf 10 dollar bij in de vorm van arbeid. Osofo en andere inwoners van Tontokrom houden meerdere keren per maand grote schoonmaak op het Projectterrein. Blijft er 50 dollar over voor de VN.
Meer maïs
Vlakbij de roze kerk in Bonsaaso drogen kilo’s pitten op een tafel, bestaande uit vier stokken en een dek van palmbladeren. Een kleine ronde vrouw in een jurk met blauwe bloemen zit ernaast op een houten krukje. “Mijn cacaobonen en mijn vrouw Mary,” stelt Kojo (40) voor. Als de boer in de richting van zijn oogst wijst, valt de grote scheur in zijn rode poloshirt op. De bonen ogen als abrikozenpitten, lichtbruin of auberginekleurig. Wie de tafel nadert ruikt de weeë walm van rottend fruit. Een geur die aan alle cacaoboeren van het dorpje kleeft.
Vorig jaar mei, toen een delegatie van twaalf uitverkoren journalisten hun dorpen aandeed, verbouwden Kojo en Osofo nog maïs. Vol trots showden de boeren van Bonsaaso hun oogst aan de reporters. “Twee keer zoveel als vorig jaar!” Allemaal dankzij de mest en hybride zaden die het Millennium Villages Project aan de boeren had verstrekt. „Maïs is mijn lievelingsgewas,” vertelt Osofo. “Maïs kun je al na drie maanden oogsten. Helaas wil het Project dat we dit jaar in cacao investeren.”
Kojo herinnert zich hoe Sachs, de Grote Leider van het Project, op 18 januari 2006 met een grote stoet fourwheeldrives zijn woonplaats Bonsaaso binnenreed. Alle inwoners verzamelden zich onder de hoge bomen. Die mannen vroegen ons of wij wilden meewerken aan een buitengewoon project. De armoede zou verdwijnen. We stemmen altijd door onze handen in de lucht te steken, maar dat was dit keer niet nodig. Natuurlijk willen we rijk worden!”
Inmiddels omvat het Millennium Villages Project in Ghana 30.000 mensen uit 42 gemeenschappen. In heel Afrika gaat het om 400.000 mensen. Het aantal millenniumdorpen wordt steeds verder uitgebreid.
Fourwheeldrive
Achter het nieuwe maïsmagazijn in de gemeenschap Dawusano staan drie plastic kuipstoeltjes. Klaargezet voor ontwikkelingscoördinator Stephen, gezondheidscoördinator Eric en water- en sanitaircoördinator Richard. Het is negen uur ’s ochtends als hun chauffeur de fourwheeldrive in het gras parkeert. De mannen uit het dorp nestelen zich op de bankjes onder de overhangende bomen. Laatkomers ploffen tussen de bladeren op de rode aarde of brengen een eigen stoel mee.
Direct na het inleidende praatje van het Projectteam zwaaien acht boeren met hun handen in de lucht. Ze worstelen allemaal met dezelfde vraag: waarom moeten zij vanaf nu voor de landbouwhulp van het Project betalen?
Een twintiger licht het probleem toe. Vóór het Project leverde zijn land vijf zakken maïs op. Met mest en verbeterde zaden oogst hij volgens de coördinatoren 80 procent meer. Negen zakken dus. Het Project wil dat de boeren een derde van de opbrengst afstaan als betaling voor mest en zaden. De twintiger houdt zes zakken over. Eén meer dan voor de hulp. Zijn onafhankelijkheid heeft hij opgegeven maar dat levert hem weinig op.
Coördinator Stephen vindt de reactie van de man misplaatst. “De maïs die de boeren aan het Project betalen, gaat naar de schoolkeuken. Alle leerlingen krijgen een gratis lunch.”
De volgende vraag gaat over latrines. Sanitaircoördinator Richard grijpt zijn kans. “Jullie moeten geen kuiltoiletten in de buurt van waterpompen graven. Kuilen graven om lege blikjes in te gooien is wel goed, maar wie een wc bouwt kan dat het beste binnenshuis doen.”
De kin van een toehoorder zakt op zijn borst. De oude man naast hem hangt achterover tegen een boom. Het laat het Projectteam koud. Ze leerden al in het eerste jaar dat ze een boodschap zo vaak mogelijk moeten herhalen.
Gemeenschapsbijeenkomsten zoals die in Dawusano, vormen het hart van het Project. “We proberen de dorpelingen bij te brengen dat ze ons vragen moeten stellen,” zegt coördinator Stephen. “Daar leren we van.”
Snel resultaat
Landbouw interesseert de jongeren uit het projectgebied geen zier. Ze verkiezen galamsay, illegaal goud delven in de modderpoelen rondom het dorp, boven het door het Project gepromote boerenbestaan. Ook Kojo’s achttienjarige zoon Benjamin ploetert meerdere dagen per week met schep en emmer in het slijk. Goudstof wisselt hij na zonsondergang om voor geld in het zijkamertje van een rijke cacaoboer. Bij thuiskomst neemt Kojo zijn zoon apart: “We moeten sparen,” zegt Kojo. Als het Project eindigt, wil Kojo met zijn gezin verhuizen naar de grote stad Kumasi.
In Tontokrom schotelt Osofo’s vrouw Anna haar man een kom eten voor. Gekookte yam in een saus van hete pepers. Met zijn rechterhand lepelt de boer de maaltijd naar binnen. Achter hem probeert Anna een nieuw muggennet op te hangen over het matrasje waarop de neef nog altijd luiert. “In ons vorige net zat een gat,” vertelt Osofo als hij zijn kom leeg heeft. “We kregen een nieuwe via het Project.”
Toen de klamboes in het eerste Projectjaar arriveerden, durfden de dorpelingen er eerst niet onder te slapen. Bang voor boze geesten. Gezondheidscoördinator Eric greep in. Hij trok langs alle gemeenschappen om uit te leggen dat slapen onder een net malaria voorkomt. Inmiddels lijden veel minder dorpelingen aan de ziekte.
Tegelijk met de muggennetten ontvingen de boeren zaden en mest voor hun maïs- of cacaoplantages. Bonsaaso kreeg in één jaar twee waterpompen, een nieuwe basisschool inclusief schoolbankjes met Project-logo, onderkomens voor extra docenten en een schoolkeuken waar kinderen gratis een lunch halen.
“In het eerste Projectjaar richtten we ons op interventies die wij Quick Wins noemen.” Projectmanager Samuel Afram zet de airco in zijn kantoor een standje hoger. Hij pakt een tweede afstandsbediening. Het geluid van de LCD-televisie in de hoek zet hij juist zachter met het oog op bezoek. “Quick Wins zijn relatief gemakkelijke ingrepen met snel resultaat. Zo zien de dorpelingen dat hun levensomstandigheden in razend tempo verbeteren dankzij ons.”
De manager heeft, net als de andere lokale medewerkers op het hoofdkantoor in de districtshoofdstad Manso-Nkwanta, een curriculum vitae waar de gemiddelde westerling stijl van achterover slaat. Hij studeerde in Ghana, Duitsland en Engeland.
“Het Millennium Villages Project is een vijffasen-Project,” vertelt de manager. “Het eerste jaar geven we de dorpelingen alles. Mest, medicijnen, waterpompen… Daarna trekken we ons stapsgewijs terug.”
De manager beukt op de toetsen van zijn laptop. Enkele seconden later rolt een vel met het tijdschema en de interventies voor de komende maanden uit zijn printer. “Het tweede jaar betalen we 75 procent van de kosten, het derde jaar 50 en na vijf Projectjaren verdwijnen we van het toneel. Experts in New York bewaken de planning. Zij willen alle millenniumdoelen tegen het einde van de Projectperiode exact op hetzelfde moment behalen. We bewijzen dat het Plan van Sachs werkt en dan zal het Westen inzien dat we armoede de wereld uit kunnen helpen. Bovendien plannen we het zó dat de schok voor de dorpelingen niet te groot is als wij het gebied verlaten.”
De helft van hun werkuren besteden de coördinatoren aan het verwerken van Projectinformatie.
Het dorpshoofd van Bonsaaso vindt het contact met de projectleiding te beperkt. “Hoe kunnen zij zich in een kantoor met airco inleven in de situatie van een boer die ploetert onder de brandende zon? Hoe kunnen wij onze visie aan de heren voorleggen als hooguit één keer per dag een minibusje richting Manso-Nkwanta rijdt, dat er drie uur over doet.”
Pillen
Officieel is het dorpshoofd nog steeds de baas in Bonsaaso. Als hij aanwezig is bij de gemeenschapsbijeenkomsten zit hij op de eerste rij. Maar hij brengt een steeds groter deel van zijn tijd door in de stad. En het Project legde de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van het dorp bij een door de medewerkers gecoacht dorpscomité. Dorpscomités waren er al in de hele Ashanti-regio. Maar van het Project moesten er vrouwen in. Nu richten de inwoners van Bonsaaso zich enkel tot hun Chief als het om landkwesties of het uitvoeren van traditionele riten gaat.
Ook de hulpverlening in de dorpen verloopt volgens de voorschriften van Sachs. Het Project kent negen basisinterventies die ze in ieder dorp toepassen. En meer dan dertig ingrepen die daar mogelijkerwijs op volgen. Desalniettemin houden de Projectmedewerkers vol dat het initiatief bij de dorpelingen ligt. “Wij maken gemeenschapspecifieke actieplannen voor elk dorp”, benadrukt coördinator Stephen.
Dat houdt in dat Osofo’s dorp Tontokrom één waterpomp kreeg en Kojo’s Bonsaaso twee. Want in Kojo’s dorp bleek de behoefte aan water groter dan in Tontokrom.
Voorgeprogrammeerde interventies en speeches van coördinatoren geven boer Osofo juist het idee dat hij op eigen houtje niets bereikt. “Wie helpt mij als het Project ten einde is? Waar kan ik aankloppen als de Projectmannen vertrekken? Ik kan niet eens een ticket voor de bus naar de stad betalen.”
Ook Kojo en zijn Mary vrezen de toekomst. Al verbeterden levensomstandigheden in Bonsaaso de afgelopen jaren in rap tempo. Sinds de start van het Project werken er meer leraren op de scholen. Het aantal leerlingen steeg met 10 procent. Er is schoner drinkwater, meer voedsel beschikbaar en betere zorg. Het sterftecijfer in Bonsaaso daalde sterk. Twee jaar lang overleed geen enkele zwangere vrouw.
Maar wat als de hulpverleners straks verder trekken? “Zij brengen ons spullen en vertellen ons over wetenschap,” zegt Kojo. Mary zucht. “Ik ben zo blij met de nieuwe kliniek in Tontokrom. Maar in ons dorp weet niemand hoe we het gebouw moeten onderhouden. Zonder steun van Het Project zitten we binnen enkele maanden zonder zorg.”
Zuster Lydia Annor werkt in de kliniek in Tontokrom. Ze graait in een grote bak pillen. Met de andere arm gebaart ze de nieuw binnengekomen patiënt dat hij op de bruine bank moet liggen. De oude man schopt zijn slipper uit en zakt neer op een nieuw laken. Sponsored by MVP schreeuwen zwarte letters op de roze doek.
De nieuwe ambulance zal de man naar het grote, opgeknapte ziekenhuis in Agroyesum brengen. Lydia helpt de man naar de ambulance. ”Hij woont niet in dit dorp,”‘ verklapt de zuster. “Maar Ze willen niet dat iemand sterft binnen het werkterrein van het Project.”
Verpleger Philip slaat de auto gade terwijl die wegscheurt. Zijn collega Patrick staat naast hem. De twintiger maakt deel uit van het Youth Employment Program. Werkloze jongeren worden opgeleid tot Community Health Extension Workers (CHEWs), basisverpleegkundigen op het platteland. “Het Project geeft lessen over ziektes als buluri ulcer en malaria. Als we daarbij aanwezig zijn, krijgen we betaald. Maar het grootste voordeel van werken in een millenniumdorp is dat ik straks, met extra cursussen op mijn cv, meer kans maak op een baan in de stad.”
“Over twee jaar krijgen de inwoners van dit gebied geen mest en geen medicijnen meer,” weet verpleger Philip. De ambulance stopt met rijden. Want wie financiert de benzine en de onderhoudskosten? “Tegen die tijd vertrek ik naar Kumasi,” zegt Patrick. “Uiteindelijk blijven alleen de losers in Tontokrom.”
De Ghanese coördinatoren kunnen er ook niks aan doen dat het Project over twee jaar ophoudt. “Het geld komt uit New York,” licht een van hen toe. “Uiteindelijk is het hun Project. We hopen dat de regering geld vrijmaakt om in deze regio te investeren en dat hulporganisaties hetzelfde doen. Anders is Bonsaaso over enkele jaren terug bij af.”
Muskietennet
Op de gemeenschapsbijeenkomst in Dawusano poogt gezondheidscoördinator Eric de kou uit de lucht te halen: “Het is waar dat jullie straks geen gratis medicijnen meer ontvangen. Maar via ons krijgen jullie korting op de nationale zorgverzekering. Als je ziek bent, betaalt de regering het geld van je behandeling terug.”
Een jonge knul in een oranje-blauw shirt steekt zijn hand in de lucht. “Ik ben nooit ziek. Waarom zou ik geld uitgeven aan een verzekering?” “En ik ben al verzekerd,” klaagt zijn bejaarde buurman. Geroezemoes stijgt op. “Dit wordt het beleid,” zegt Eric terwijl hij tot stilte maant.
De bijeenkomst is afgelopen. De dorpelingen klappen verwoed. Ze bidden. Moge God het beste voor hebben met dit millenniumdorp.
De coördinatoren haasten zich door het gras naar hun fourwheeldrive. In grote vaart scheuren ze terug naar het hoofdkantoor. Het is twaalf uur en coördinator Eric had beloofd voor tweeën een rapport naar New York te mailen.
De inwoners van Dawusano stapelen de plastic stoeltjes op. Daarna ploffen de mannen opnieuw onder de bomen. Het is te laat om de lange wandeling naar de cacaobomen en maïsplantages te maken. De enkele vrouw die aanwezig was, spoedt zich naar huis. Haar rest juist extra werk. Was die zij deze ochtend niet kon doen.
Als het duister invalt, schreeuwt Kojo in de roze kerk om ‘Onyeame’, God. Alle inwoners van Bonsaaso scharen zich om een lampje op batterijen, gekregen van de projectleiding. “Elke dag bid ik dat God me geld geeft”, bekent Kojo. Zijn vrouw Mary slaat op een tamboerijn. Ze zingt het hardst van alle dorpelingen. En in een compleet andere toonsoort. Na de mis is er niets meer te beleven in het dorp dus kruipen Mary en Kojo vroeg onder hun nieuwe muskietennet.
In Tontokrom legt Osofo zijn kapmes naast zich neer. Hij waant zich voorgoed afhankelijk van hulp. Hij dacht dat dit Project het tegenovergestelde zou bewerkstelligen. “Schrijf mijn verhaal,” herhaalt de boer. “Ik wil ook weg in 2011.”

Beste Sanne,
Als een van de organisatoren van het 2015 FESTIVAL in Friesland (tbv bewustwording van en draagkracht voor de Millenniumdoelen) en vooral bezig met een mindshift hier t.a.v. het denken over ontwikkelingshulp volg ik de ontwikkelingen rondom de prestigieuze Millennium Villages met meer dan gewone interesse. Voor zover ik weet is er nog niet eerder in de media iets verschenen over hoe Sachs eigenlijk komt aan het idee van de Millennium Villages. Daar weet ik het een en ander van. Mocht je interesse hebben, dan zou ik deze kennis graag met je willen delen.