Overleefd! (Yes)
“Kleng!” Arnold en ik zitten recht overeind in bed en kijken elkaar geschrokken aan. Het is half zes in de ochtend en iemand gooit zijn lichaamsgewicht in de strijd in de hoop onze voordeur open te breken. Twee minuten later schudt de desbetreffende Ghanees aan de spijlen van ons slaapkamerraam. “Foby, Foby, Foby!” schreeuwt ze luid. En wij halen opgelucht adem. Dit is Foby, de zus van onze huiseigenaar. Het is onze laatste week in Ghana en de vrouw wil checken of wij de villa netjes achterlaten. Ze wandelt een rondje door het huis en roept “byebye!” Om zes uur is ze verdwenen.
Iedereen in Ghana maakt grapjes over African time: Ghanezen arriveren steevast een uur te laat als je een afspraak met ze maakt. Of ze komen helemaal niet. Dankzij Foby leerden wij dat het vooroordeel over Afrikanen niet klopt: African time is tijd zonder horloge. ‘Nu’ of ‘niet nu’. Als je de Ghanees niets te bieden hebt, valt de keus meestal op die laatste optie.
En we constateerden nog iets. We houden van Holland. Na vijf maanden poedelen in een emmer koud water verzuchten we steeds vaker: “Waren we maar weer thuis!” We willen douchen onder een warme straal en ’s avonds lui voor de televisie hangen. De afgelopen maand weigerde Ghana mee te werken. Dankzij het regenseizoen en de daarmee gepaard gaande hoosbuien zaten we avond na avond in het donker. Koelkast kapot en wasmachine kapot. En tot overmaat van ramp mijn laptop ook. Interviewkandidaten kwamen zelden opdagen, grote spinnen en de cholera-bacterie juist wel. Weinig te schrijven zo voor een journalist. Behalve mijn laatste column vanuit Ghana. Mijn volgepakte backpack staat naast me en aan onze keukentafel probeer ik mijn laatste momenten in huize Valley View te omschrijven. Het lukt niet. De laatste elektriciteitsloze avonden hier waren te lang. Zelfs Arnolds imitatie van Hunk de Pornohamster op bezoek bij Jambers kan me niet meer bekoren. Ik wil al in het vliegtuig zitten. Landen op Schiphol waar mijn ouders al úren in de aankomsthal wachten en mijn vader nonchalant zal doen of hij mij helemaal niet zo heeft gemist, terwijl mijn moeder zich op me stort en me platknuffelt. Ja, ik verlang terug naar mijn luxe leventje. Dat is de laatste les les over leerde ik over mijzelf. Dankzij onze Ghanese buren. Ik ben verwend. Buurjongen Desmond klaagt nooit als het buiten hoost. Dat kan zijn omdat zijn huis geen elektriciteit heeft en die dus ook niet uit valt bij iedere regenbui. Maar Desmond klaagde ook niet toen zijn oom geen geld meer wilde betalen om hem naar school te sturen. En ook niet toen de deur van zijn woning het begaf: hij timmerde gewoon een bloemetjeslaken voor de opening. Nu wacht de jongen naast me tot ik mijn laatste zinnen heb neergeschreven. Zonder morren tilt hij mijn loodzware tas richting de taxi. “ByeBye Obruni,” zwaaien de kindertjes langs de weg. “Dag Kumasi,” zwaaien Arnold en ik opgelucht. “Dag instortende villa!” We hebben het overleefd. Samen.
Toch gaan we onze ouders straks op Schiphol teleurstellen. Voor ons geen honeymoon. Nog te veel wijze lessen te leren, dus over twee maanden pakken we onze tassen opnieuw. We gaan schrijven (en meer onderzoek doen naar voetbal, *zucht*) in het meest corrupte land ter wereld, Kameroen.