Voor Anne-Larissa (Yes)
Tegen het middaguur drukt mijn moeder opnieuw haar grote neus tegen de glazen deuren van Schiphol’s aankomsthal. Twee uur daarvoor landde het vliegtuig uit Ghana in Amsterdam, maar ons ziet ze nog niet. Wij staan met verlepte koppies treurig naar de lopende band te kijken. Vol bagage, maar zonder Arnolds tas met daarin al zijn onderzoeksresultaten.
Onze thuiskomst vindt een week eerder plaats dan gepland. Toch kijken onze ouders niet blij als we eindelijk verschijnen. Wij ook niet.
Ons plan was om nog een week in de Ghanese hoofdstad Accra te relaxen en cadeautjes voor het thuisfront te kopen. Op dag twee hoorde ik dat Anne-Larissa, mijn beste vriendin, is verongelukt in Bolivia. An was mijn vriendin vanaf het moment dat ze in een door oma gebreide trui en met twee staartjes in haar blonde haren mijn kleuterklas binnenwandelde.
Drie jaar later stopte ze knuffelbeer Esther en een tandenborstel in haar roze rugzakje en liep ze het hele dorp door; ze had besloten dat ze bij mij kwam wonen. We gingen samen naar de hockeyclub en naar kinderkoor de Vechtegaaltjes. Op ‘t VWO belandden we opnieuw bij elkaar in de klas.
Ik stond naast haar bij haar eerste zoen. (Nou ja, ik lag gillend van de lach op de grond achter een dikke boom, zodat de desbetreffende knul me niet zag.) We sliepen samen in één bed en deelden kleren, roze oogschaduw, boeken, muziek en soms ook mannen. Dat leverde wel eens bonje op. Dagen negeerden we de ander. An vond mij een softie, omdat ik me zo kut voelde als wij mot hadden. Dat maakte me zo kwaad dat ik haar bij de biologieles een lel om haar oren gaf. Later, in Berlijn, gingen we elkaar te lijf met barkrukken om daarna huilend in elkaars armen te vallen en samen een vredescocktail achterover te slaan. Na de strawberry daiquiry maakten we geen ruzie meer. Zelfs niet nadat ik na een nacht in de kroeg alle wodka-redbulls er weer uit gooide bij An thuis. Ze was bang voor kotsende mensen, maar gluurde voorzichtig om het hoekje van de badkamerdeur: “Gaat ‘t San? Pas je wel op voor mijn handdoek?” We beseften ons allebei dat onze vriendschap te dierbaar was om kwijt te raken.
Maar de laatste maanden zat ik in Afrika en zij in Zuid-Amerika. Alleen. Bij gebrek aan beter deelden we onze gevoelens en plannen met elkaar per email. An schreef trots: “Ik sta klaar om de Huayna Potosí te beklimmen!” Dat deed ze. Ze was trots en gelukkig toen ze de top haalde. Maar doordat ze bij de afdaling naar beneden viel, kan ze dat nooit meer naar me typen.
De Ghanezen op het vliegveld probeerden van mijn verdriet te profiteren door me zakdoekjes tegen het huilen toe te stoppen. Vervolgens hielden ze hun hand op en eisten tien euro fooi. Arnold regelde ondertussen tickets voor het eerste vliegtuig naar huis. Een reis van twaalf uur, drie bevroren broodjes met kaas (die ik niet door mijn keel kreeg) en een documentaire over panda’s later, zijn we daar eindelijk. Thuis. Omringd door familie en met gekke kater Raaf op schoot. Arnolds achtergebleven tas arriveert vier uur later. Zeker nu is er geen plek waar ik liever zou zijn dan in ‘t veilige huis van mijn ouders. Maar ik weet niet hoe ik me hier thuis moet voelen zonder Anne-Larissa. Mijn getuige als Arnold en ik tóch willen trouwen. En bovenal: een heel groot stuk van mij. Lieve An, ik mis je nu al.

Met respect je artikel ( wederom)gelezen.
Ik hoop dat je het een plek kan geven. Als Sander terug is zal ik hem het laten lezen.
Groeten.
Karel