Vreemdelingenwerk (Yes)
Christien (29) overtuigt uitgeprocedeerde asielzoekers in het uitzetcentrum dat het beter is als ze teruggaan naar hun land van herkomst.
“Eerst geef ik een vreemdeling een hand. ‘Ik ben Christien’ zeg ik. En dan: ‘Hoe voel je je?’ Pas daarna leg ik uit dat ik wil dat hij teruggaat naar het land waar hij vandaan komt. Vrijwillig. Stemt hij in? Dan regelt de Internationale Organisatie voor Migratie een vliegticket. De vreemdeling reist zelf. Hij mag twintig kilo bagage meenemen en handbagage, net als iedere andere passagier. Een vreemdeling wordt alleen vergezeld door de Koninklijke Marechaussee als we hem moesten dwingen om te vertrekken.
Soms willen mensen die ik uitzet contact met me houden. Maar voor mij is het contact over zodra iemand op het vliegtuig stapt, ook als ik iemand aardig vind. Dit is mijn werk. Binnen mijn pakket doe ik wat ik kan. Ik spoor achtergebleven bagage op. Ik laat iemand bellen met familie als hij zelf geen beltegoed heeft. Maar ik ben niet hun vriend. Dat is ook duidelijker voor hen.
Natuurlijk grijpt het me aan als mensen wanhopig zijn, zeker als ik een gezin met kinderen moet terugsturen. Kinderen snappen niet waarom ze weg moeten. Op zo’n moment knoop ik in mijn oren dat mijn taak bestaat uit meedelen en uitvoeren. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaalt wie mag blijven en wie niet. Met mijn collega’s praat ik over de positieve en negatieve dingen die hier voorvallen. Ik leg mijn gevoel bij hen neer en geef het zo een plekje.
Het was niet mijn jeugddroom om vreemdelingen uit te zetten. Welk klein meisje denkt überhaupt aan dit beroep? Ik studeerde dierenverzorging. Na mijn opleiding bleek werk schaars en belandde ik via een bijbaantje bij de Vreemdelingendienst bij IND. Inmiddels ben ik regievoerder Vertrek bij de directie Bewaring.
Ik heb niks tegen buitenlanders. Mijn vrienden komen uit alle windstreken. Tijdens mijn werk realiseer ik me steeds weer dat wat wij in Nederland gewend zijn niet de norm is. Van mij mogen vreemdelingen me op hun manier aanspreken, als ze maar respect tonen. Sommigen zeggen U, je, mevrouw of sister. In het Oostblok eindigen vrouwennamen op een ‘a’. Oostblokkers noemen me daarom Christina in plaats van Christien. Alleen op autoritaire, dominante mannen reageer ik strakker. Zij vinden het moeilijk om met een vrouw te praten, maar ze vallen onder mijn caseload dus moeten we het met elkaar doen. Ik draag iemand alleen over aan een collega als het écht niet gaat. Maar een moslimman die mijn hand niet schudt? Daar maak ik heus geen probleem van. Ik heb ook respect voor hen. Ik wil dat alle mensen hier op een humane manier behandeld worden.
Als een vreemdeling vrijwillig terugkeert maakt dat me blij. Niet omdat hij weggaat, maar omdat iemand verder kan met zijn leven. Ooit was er hier een man uit voormalige Joegoslavië. Hij leed aan psychoses en sliep op straat. Toen hij medicijnen kreeg en opknapte wilde hij terug naar huis. Naar Kosovo. Maar hoe? Dat wist hij niet. Hij wist ook niet of hij nog levende familie had. Wij regelden dat die man werd afgezet voor het huis van een broer die wij hadden opgespoord. Hij belde ons op. ‘Bedankt’, zei hij. Hij was zo blij weer thuis te zijn.”